De Boer 2.0 van de toekomst (3/4)

Het agrarisch bedrijf als integrator van ecosysteemdiensten, deel 3

Om als bedrijf ook echt een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van leefomgeving zijn strategische keuzes nodig. In het eerste artikel in deze serie heb ik laten zien dat het toekomstig agrarisch bedrijf een bredere focus nodig heeft dan alleen het produceren van voedsel. Gegeven de grote maatschappelijke en ecologische zorgen gekoppeld aan de landbouw, is verandering niet alleen gewenst maar ook nodig. En niet in de minste plaats omdat het op lange termijn ook impact heeft op de landbouwproductie zelf. Omdat zowel de landbouwproductie als ook de bijbehorende impact op de leefomgeving sterk afhangen van de locatie van het bedrijf en het vakmanschap van de boer, voer ik een pleidooi om het agrarisch bedrijf centraal te zetten in de gewenste transitie. Nadat ik in deel 2 een aantal relevante randvoorwaarden heb beschreven, wil ik in dit artikel ingaan op de vraag hoe elk bedrijf in staat is om ook zelf de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren zonder daarbij onrecht te doen aan het boerenbedrijf als economische activiteit.

Als ik denk aan de toekomstige boer en zijn bedrijf, dan zie ik een persoon voor me die trots is op zijn bedrijf omdat hij bijdraagt aan een betere wereld. Hij biedt inspiratie en wordt geïnspireerd door verhalen uit zijn omgeving. Hij heeft een set aan strategisch doelen gedefinieerd waar zijn bedrijf aan bijdraagt en monitort continue hoe zijn bedrijf bijdraagt aan het produceren van gezond voedsel, hoe zijn bedrijf de kwaliteit van de leefomgeving onderhoudt en verbetert, hij staat open voor voortdurende verbetering van efficiëntie en hij streeft naar een volhoudbare landbouw voor toekomstige generaties. Hoe meer boeren ik spreek, hoe meer ik ontdek dat zij gedreven worden door een sterke betrokkenheid op de kwaliteit van de bodem als ook de kwaliteit van het gebied waarin ze wonen. Ze weten zich verantwoordelijk voor het produceren van gezond voedsel. Dat is wat boeren drijft. En in mijn visie is deze gedrevenheid als ook hun vakmanschap cruciaal om de transitie naar een duurzame en volhoudbare landbouw te maken.

We hebben met elkaar ook gezien dat het landbouwkundig systeem in de afgelopen 50 jaren is getransformeerd tot een goed lopende en efficiënte machine waarbij voedselproductie belangrijker is dan de kwaliteit van de leefomgeving. In het toekomstig bedrijf is dit anders. In de toekomst is de landbouwproductie in evenwicht met de omgeving. Dit komt tot uiting in vijf basisprincipes die het strategisch en operationeel management van het bedrijf sturen. Dit zijn: (i) het natuurlijk kapitaal van de bodem wordt beschermt en gemaximaliseerd voor landbouw, (ii) de kringlopen van koolstof, water en nutriënten worden maximaal gesloten, (iii) voedselproductie, milieu en gezondheid versterken elkaar, (iv) de daadwerkelijke impact op omgeving wordt gevaloriseerd, en (v) het bedrijf kan blijven groeien binnen het sociaaleconomisch landschap. In dit artikel werk ik uit wat dit concreet betekent voor het landbouwbedrijf.

Aansluiting op natuurlijk bodemkapitaal

Om als bedrijf goed in te kunnen spelen op de aanwezige opgaven, is het allereerst belangrijk om de bodem en de processen daarin te kennen en om deze te kwantificeren. De bodem bepaalt namelijk voor een groot deel de opbrengstpotentie van het perceel en het stuurt ook de efficiënte inzet van middelen. Naast de bodem staat het bedrijf ook in verbinding met de omgeving, en de weerbaarheid en gevoeligheid van de omgeving bepaalt daarmee zowel de mate waarin de landbouwkundige potentie kan worden gerealiseerd als de daarvoor noodzakelijke (mitigerende) maatregelen. Het is daarom gewenst dat elk bedrijf een eigen plan ontwikkeld waarbij rekenschap wordt gegeven van het gekozen management in relatie tot de landbouwkundige doelen als ook de kwaliteit van de omgeving.

Om dit te bereiken is het belangrijk dat het bufferend vermogen van de bodem wordt benut en vergroot. Een bodem met een hoog bufferend vermogen kan de uitwisseling van water tussen bodem en oppervlaktewater vertragen. Een groot bufferend vermogen zorgt er ook voor dat er minder droogtestress is in perioden van watertekort. Wanneer er veel neerslag valt is er ook minder risico op wateroverlast . En direct daaraan gekoppeld zijn verliezen van nutrienten en gewasbeschermingsmiddelen lager bij een hoge buffercapaciteit. En zeker als ook de bemestingspraktijk wordt afgestemd op de variatie in bodemkwaliteit. Om het bufferend vermogen van de bodem te vergroten, zijn er de volgende vuistregels:

  • Zorg voor voldoende (variatie in) aanvoer van organische stof. Dit stimuleert het bodemleven, verbetert de bodemstructuur en waterhuishouding, verlaagt de emissie van broeikasgassen (op zand) en zorgt daarnaast ook nog voor vastlegging van koolstof.
  • Houdt de zuurgraad als ook de levering van nutriënten vanuit de bodem op peil. Een (te) zure grond is niet gunstig voor het bodemleven en verlaagt de benutting van nutriënten.
  • Zorg voor een goede bodemstructuur en beworteling. Een goede timing van werkzaamheden, het gebruik van de juiste machinerie en werkwijze (rijpaden, werkvolgorde) dragen bij aan het voorkomen en beperken van structuurschade.
  • Zorg voor voldoende water. Door een goede bodemstructuur en voldoende organische stof kan er meer water in de bouwvoor worden vastgehouden. Daarnaast kan via slim gebruik van drainagesystemen, de aanleg van boerenstuwen, en het verondiepen van waterlopen de mogelijkheden worden vergroot om water vast te houden in de bodem.

Sluiten van kringlopen

Verliezen van koolstof, nutriënten, water en gewasbeschermingsmiddelen zijn onvermijdelijk. Het management kan echter wel zo worden vormgegeven dat overschotten (er is te veel aanvoer) dan wel tekorten (er is te weinig aanvoer) worden voorkomen. Beide situaties zijn landbouwkundig ongewenst. Aan de andere kant zijn er maatschappelijke opgaves die juist een overschot dan wel een tekort vereisen. Denk bijvoorbeeld aan de wens om meer koolstof op te slaan in de bodem (vanuit perspectief van klimaat), grondwaterpeilen te verhogen (voor minder verdroging), om meer vaste mest te gebruiken (voor biodiversiteit), om bodems uit te mijnen (voor kwaliteit oppervlaktewater). Het sluiten van kringlopen vraagt daarom om een specifieke concretisering in relatie tot de te bereiken doelen. Omdat we hier spreken over een landbouwbedrijf heeft continuering van de landbouwfunctie mijns inziens prioriteit. Dit vereist een juiste afstemming van bemesting (aanvoer van nutriënten), peilbeheer en beregening (aanvoer van water) op basis van de perceelskenmerken van het bedrijf als ook de gewenste ecosysteemdiensten. Elke afwijking van de Goede Landbouwpraktijk (dat wil zeggen het streven naar evenwicht) kan worden beschouwd als een investering in een ecosysteemdienst, waarbij het bedrijf een keus kan maken op basis van interesse dan wel aanwezige opgaves in de regio.

Wat betekent dit concreet? Allereerst dat gewassen en bodems niet onnodig bemest worden, maar dat er wordt gestreefd naar een landbouwkundig optimale streeftoestand. Het doel is evenwichtsbemesting waarbij het gewas niet meer mest ontvangt dan nodig is. Dit betekent dat akkerbouwers en veehouders samenwerken om te zorgen dat de juiste mest op het juiste tijdstip beschikbaar is. Dit betekent dat slimme toedieningstechnieken worden ingezet om ammoniak- of lachgasverliezen te voorkomen (bijvoorbeeld diepe injectie of water bij de mest). Dit betekent ook dat er waar mogelijk stikstofbinders worden ingezet om de bodem te verrijken om zo externe stikstofaanvoer te verminderen. Dit betekent ook dat organische reststromen en dierlijke mest zo worden bewerkt dat ze efficiënt inzetbaar zijn voor ofwel bodemverbetering (veel organische stof, weinig nutrienten) ofwel bemesting (veel nutrienten en weinig organische stof).

Als er vanwege de kwaliteit van leefomgeving juist overschotten of tekorten gewenst zijn, dan liggen er mogelijkheden om binnen het bedrijf het management zo vorm te geven dat de gewenste impact op het juiste perceel wordt gerealiseerd. Daarnaast zijn mitigerende maatregelen nodig om negatieve effecten op andere doelen te voorkomen. Dit laat zien dat het principe ‘kringlopen sluiten’ op verschillend schaalniveau concreet moet worden gemaakt om daadwerkelijk impact te realiseren.

Versterken relaties tussen voedselproductie, milieu en gezondheid

Een landbouwbedrijf produceert voedsel voor de regionale en wereldwijde markt. Recente uitbraken van dierziektes en gewasziektes en daaraan gekoppelde handelsbelemmeringen laten zien dat het belangrijk is om voldoende en gezond voedsel in eigen land te produceren. Dit betekent dat bedrijven meer en meer transparantie moeten laten zien in hun teeltwijze als ook verantwoording afleggen over de gebruikte middelen en impact op de leefomgeving. Juist op dit terrein liggen nog grote uitdagingen. Om gericht te kunnen sturen op maximalisatie van productie, minimalisatie van milieu-impact en maximalisatie van gezondheidswinst is a priori inzicht nodig in de impact van landbouwpraktijken op de onderliggende relaties. Er is nog veel onduidelijk over hoe je als ondernemer de synergie tussen landbouw en gezondheid kunt versterken. We weten bijvoorbeeld dat via bodembeheer en bemesting gezorgd worden voor voldoende micronutriënten en vitamines in akkerbouw- en vollegrondsgroentegewassen die op hun beurt de humane en dierlijke gezondheid bevorderen. Idem dito voor gewenste eiwitgehaltes in grasland en aardappelen en suikergehaltes in suikerbieten. Echter, een generieke aanpak gericht op een sterkere relatie tussen voedselproductie en gezondheid mist.

De relatie met het milieu heeft de laatste jaren wel meer aandacht gekregen, in het bijzonder in relatie tot stikstof (naar de lucht en het watersysteem) en fosfaat. Voor de melkveehouderij is dit heel concreet uitgewerkt in de systematiek van de KringloopWijzer. Maar ook hier zijn nog steeds grote vragen rondom de effectiviteit van maatregelen op het specifieke bedrijf, rekening houdend met de kenmerken van de individuele percelen. Desondanks zijn hier wel heel concreet al stappen vooruit te zetten, grotendeels gebaseerd op expertkennis en vakmanschap van boeren. Het in provincie Brabant ontwikkelde BedrijfsBodemWaterPlan is hier een mooi voorbeeld van. Meer generiek geldt ook dat het versterken van de natuurlijke capaciteit van de bodem als ook de inzet van biologische / natuurlijke plaagbestrijding winst oplevert voor het milieu en gezondheid. Voor de toekomst is het belangrijk dat juist op dit vlak gerichte kritische prestatie indicatoren worden ontwikkeld om de relaties tussen landbouw, milieu en gezondheid verder te onderbouwen.

Wat betekent dit dan bijvoorbeeld voor droogtegevoelige zandbodems in Nederland? Boeren die hier een bedrijf hebben, moeten goed nadenken over het bouwplan, het bodembeheer, de meststofkeuze, en het gebruik van beregening in het licht van de aanwezige opgaven. Het is daarbij belangrijk om ondiep en diepwortelende gewassen elkaar af te laten wisselen om zo organische stof op te bouwen in de bodem en nitraatuitspoeling te verminderen. Stikstofbinders zijn inzetbaar om stikstof uit te lucht te vangen en daarmee de bodem te verrijken en vanggewassen kunnen een deel van de uitgespoelde stikstof weer opnemen en de bodemkwaliteit verbeteren. In het vroege voorjaar zijn uitspoelingsgevoelige meststoffen ongewenst. Gebruik van bloemrijke akkerranden stimuleert de biodiversiteit, voorkomt oppervlakkige afspoeling en drift van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen. Om schade aan bodemstructuur te voorkomen zijn rijpaden en banden op luchtdruk gewenst, als ook een doordachte keuze over het tijdstip en volgorde van bodembewerkingen. Voldoende aanvoer van drijfmest is belangrijk om het bodemleven te voeden en extra koolstof op te bouwen.

In veenweidegebieden waar hoge P-uitspoeling belemmerend werkt voor een goede ecologische waterkwaliteit van het oppervlaktewater, is het belangrijk om maximaal in te zetten op maatregelen die de productiviteit van de landbouw verhogen, de emissie beperken en de kwaliteit van de sloot verbeteren. Een hoge productiviteit zorgt namelijk voor het uitmijnen van de opgeladen landbouwbodem en verbetert de kwaliteit van de leefomgeving op lange termijn. Dit betekent dus ook strakkere normen voor fosfaatbemesting (PAL-waarden boven de 50 zijn ongewenst) en ruimere normen voor stikstof (om gewasopbrengst te verhogen). Dierlijke mest wordt zo toegepast dat er rekening wordt gehouden met de P-beschikbaarheidsindex: hiermee gaat de benutting omhoog en wordt de bodemkwaliteit voor de toekomst beschermd. Stikstofkunstmest wordt gestimuleerd omdat hiermee flexibel bijgestuurd kan worden gedurende het seizoen. Brede inzet van bufferstroken zorgen voor fosfaatretentie in de landbouwbodem en stimuleren de connectiviteit binnen het landschap en daarmee de biodiversiteit. Slimme drainagesystemen worden ingezet om het grondwater in het perceel zo hoog mogelijk te houden en daarmee veenafbraak te remmen (positief voor klimaat en bewoonbaarheid). Sloten worden ecologisch onderhouden om zo de biodiversiteit in de sloot te stimuleren. In een aantal hydrologisch geïsoleerde deelgebieden wordt het waterpeil opgehoogd om zo weidevogels te stimuleren en de natuurlijke buffercapaciteit van de bodem wordt benut om te voorkomen dat vernatting (goed voor weidevogels) extra fosfaat vrijmaakt dat negatief doorwerkt op de aquatische ecologie.

Valorisatie van impact op de omgeving

Hoe kun je als bedrijf nu daadwerkelijk laten zien wat voor impact je realiseert? De huidige discussies in de media laten zien dat een groot deel van de Nederlandse burgers heel weinig zicht heeft op wat er op een landbouwbedrijf gebeurd en hoe dit bijdraagt aan de kwaliteit van de leefomgeving. Hier liggen nog enorme kansen om als bedrijf de relatie met de burger te versterken, als ook de relevantie van een schone productie voor een gezonde voeding en de kwaliteit van de leefomgeving. Tegelijkertijd neemt het aantal certificeringssystemen toe waarmee bedrijven langs een meetlat worden gelegd om hun maatschappelijke impact te monitoren. De recente opkomst van Herenboerderijen en allerlei burgerinitiatieven laat mij zien dat hier een sociale innovatie aan het ontstaan is waarbij burgers meer en meer betrokken worden bij de lokale en regionale voedselproductie. Het is voor mij nog onduidelijk in welke mate deze trend zich doorzet en er ook daadwerkelijk regionale economieën ontstaan. Omdat ik me op dit vlak ver beweeg buiten mijn eigen vakgebied, is het lastig om deze sociaaleconomische trends goed te duiden. Wat ik wel zie is dat bedrijven meer en meer uitgedaagd worden om hun impact op hun omgeving als ook hun bijdrage aan de economie en volksgezondheid te visualiseren en te onderbouwen. Dit vraagt om een sterke mate van openheid en transparantie (‘licence to produce’) en is zelfs een vereiste om nieuwe verdienmodellen te realiseren. In mijn ogen moet dit dan ook over het hele spectrum vorm krijgen, zowel landbouwkundig als milieukundig. Om er voor te zorgen dat een boer ook daadwerkelijk boer blijft.

Een volhoudbaar bedrijf

Hierbij kan ik heel kort zijn: landbouw bedrijven is een economische activiteit. Dit betekent ook dat de boer een ondernemer is die een product levert waar consumenten van kunnen leven. Zover ik weet zijn er geen boeren die bewust ervoor kiezen om schade aan te brengen aan de kwaliteit van de leefomgeving. Wel zijn de financiële marges vaak zo klein, dat investeringen in bodemkwaliteit of omgevingskwaliteit vrijwel altijd schade opleveren voor de volhoudbaarheid van het bedrijf. Tegelijkertijd ligt hier ook perspectief. Want zodra de consument de voedselproductie opnieuw leert waarderen, en de ecologische gevolgen van voedselproductie mee laat wegen in de prijs van voedsel, dan ontstaat er ook financiële ruimte tot investeringen en innovaties die de ecologische voetafdruk verkleinen. Dat biedt perspectief, voor zowel boer als burger.

Vooruitkijkend

Na vele gesprekken met boeren, erfbetreders als ook ketenpartijen en beleidsmakers geloof ik (nog steeds) in de kracht en innovatie van agrarische bedrijven om de benodigde transitie richting een duurzaam landbouwsysteem te realiseren. Veel ondernemers worstelen anno 2020 over de toekomst van hun bedrijf. Regels zijn vaak niet integraal en worden strenger, de marges worden kleiner en de overwegende beeldvorming in de pers is negatief. De hier geschetste werkwijze zet het boerenbedrijf weer in het middelpunt om van daaruit samen met anderen actief bij te dragen aan een duurzame leefomgeving. Dit inspireert en biedt tegelijkertijd een structuur om de noodzakelijke transitie ook financieel te ondersteunen. Veel lokale initiatieven laten zien dat dit mogelijk is en ik kijk vol verwachting uit naar een samenwerking met gebiedspartijen om de transitie ook daadwerkelijk concreet te maken voor de verschillende regio’s in Nederland.

Deze column is eerder verschenen op LinkedIn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Gerard Ros, e-mail gerard.ros@nmi-agro.nl



Geef een reactie