De Boer 2.0 van de toekomst (2/4)

Het ontwerp van een nieuwe Mansholt doctrine? deel 2

Het Nederlandse landbouwsysteem staat anno 2021 meer en meer ter discussie: de efficiëntie is groot, maar de effecten op biodiversiteit, omgevingskwaliteit en landschap roepen om een nieuwe Mansholt-doctrine waarbij landbouw, voedsel en omgeving sterk verbonden zijn. In deel 1 van deze serie heb ik laten zien dat verandering gewenst en nodig is om toekomstbestendig te zijn én poneer ik dat deze verandering alleen een succes wordt als het agrarisch bedrijf weer het centrum vormt van deze ontwikkeling. Juist op het landbouwbedrijf is het mogelijk de link met de omgeving concreet te maken, de samenwerking te zoeken met collega’s en de relatie met de burger te herstellen. Wat betekent dit nu voor de toekomst van een agrarisch bedrijf? Hoe kan een landbouwbedrijf rekening houden met de ecologische draagkracht en tegelijk voldoen aan de groeiende vraag naar voldoende en hoog kwalitatief voedsel? En wat is er dan nodig om elk bedrijf bij te laten dragen aan deze opgaven?

In dit artikel beschrijf ik een viertal randvoorwaarden. Allereerst is het belangrijk om als bedrijf een helder bedrijfsprofiel te kiezen, een profiel waaruit duidelijk wordt hoe het (samen met andere bedrijven) een bijdrage levert aan de landbouwkundige en milieukundige opgaves in de regio en hoe het de verbinding met burgers herstelt. Ten tweede zijn er standaarden nodig om de bijdrage aan deze opgaves aan te tonen, te monitoren en te belonen. Ten derde moet er met (regionale) stakeholders, consumenten en ketenpartijen afspraken worden gemaakt over de herwaardering van maatschappelijke diensten en het geproduceerde voedsel. Als laatste beschrijf ik hier de contouren van een nieuw Mansholt-doctrine of programma om inhoudelijk regie te voeren over het gewenste bedrijfs- en landschapsmodel.

Let wel, drie van de vier randvoorwaarden zijn aspecten waarop de boer zelf maar beperkt invloed heeft. Ook al staat zijn bedrijf in het middelpunt van deze ontwikkeling. In het volgende artikel zal ik dieper ingaan op het perspectief vanuit het agrarisch bedrijf.

Een helder bedrijfsprofiel

Zowel de consument als de overheid verwacht transparantie over de bijdrage die een agrarisch bedrijf levert aan de voedselproductie en de kwaliteit van de leefomgeving. Dit betekent dat elk bedrijf ook positie moet kiezen binnen de ruimte van aanwezige ecosysteemdiensten: aan welke opgaves wil je als bedrijf gaan werken? Niet alles kan: zowel de opgaves als ook het handelingsperspectief hangt samen met de regio waar het bedrijf zich bevindt. Daarnaast kunnen verschillende opgaves ook nog eens met elkaar conflicteren.

Kijkend naar de huidige ontwikkelingen binnen Nederland, zie ik hier een aantal mogelijkheden. Er zijn bedrijven die zich positioneren als productspecialist (maximalisatie van een efficiënte productie), of zelfverwaarder (uitbouw van lokale en regionale ketens) of als verbreder (verbreding van activiteiten buiten de landbouw). Daarbinnen zijn er ook verschillende inhoudelijk georiënteerde posities denkbaar op basis van de geleverde diensten of gekozen systeemvisie. Denk aan klinkende namen als Biologische Boer, Klimaatboer, Kringloopboer, Natuurinclusieve boer, Regeneratieve Boer, Herenboer, Heideboer, Burgerboeren of Weidevogelboer. De rode draad in veel van deze posities is een herstel van het voedselsysteem waarbij de betrokkenheid van burgers direct of indirect wordt vergroot. Tegelijk aarzel ik hier als agronoom en systematicus. Want hoewel de namen mooi klinken, ze roepen veel verwarring op. Want wanneer ben je als boer nu regeneratief? Wanneer ben je klimaatvriendelijk? Wanneer ben je kringloopboer? En is dit een garantie voor een landbouw waarbij de kwaliteit van de omgeving daadwerkelijk verbeterd? Om versnippering en verkokering te voorkomen, is mijns inziens een heldere en eenvoudige positionering belangrijk om zo de verbinding met de burger te herstellen en om duidelijkheid te geven in gesprek met ketenpartijen en gebiedspartijen (herkomst en manier van produceren zijn namelijk onderdeel van de waardepropositie). Als laatste geeft dit ook sturing aan het te voeren management en de te gebruiken prestatie indicatoren (dit zal ik in deel 3 uitwerken).

Samenwerken is nodig

Een bedrijf staat niet op zichzelf, zeker als we kijken naar de verschillende opgaven. Wanneer we spreken over de kwaliteit van de leefomgeving dan is dat per definitie een bedrijfsoverstijgende aangelegenheid. De uitdagingen op het gebied van klimaat, biodiversiteit, bodem en water vragen dan ook om samenwerking. Allereerst om impact te hebben op de kwaliteit van de omgeving, maar ook om een stukje regie te krijgen over de regionale economie en om de verbinding met de burger te versterken. Via een regionaal netwerk waar bedrijven samenwerken, kan gezond voedsel beschikbaar komen voor de consument, en kunnen ook afspraken worden gemaakt met andere netwerken of ketenpartijen voor uitwisseling van producten, kennis en managementstijlen. Daarnaast levert samenwerking ook technische verbeteringen op richting verduurzaming van het productieproces. Dit kan bijvoorbeeld vorm krijgen via de uitruil van percelen (en daarmee een ruimere vruchtwisseling), gezamenlijke mestopslag, doorlopende bufferzones langs watergangen (verbetering waterkwaliteit en biodiversiteit), de inrichting en het beheer van de sloten (voor het vasthouden van water en ecologisch herstel), een slimme planning van werkzaamheden (bescherming bodemkwaliteit) en gezamenlijke investeringen voor bodem- en weersensoren die feedback geven over de efficiëntie van de landbouwkundige productie.

Naast een slimme samenwerking tussen kleinere bedrijven verwacht ik dat veel traditionele gezinsbedrijven zullen groeien tot grotere bedrijfs-verbanden via overnames en fusies als ook onderdeel worden van coöperaties waarbij schaalvoordelen worden gerealiseerd op het vlak van inkoop, productontwikkeling, innovatie en verkoop. In al deze groei- en samenwerkingsstrategieën zal er sturing nodig zijn op de concretisering van doelen rond omgevingskwaliteit.

Monitoring en sturing met prestatie indicatoren

Om als bedrijf te sturen op een duurzame productie is monitoring noodzakelijk. Dit is niet alleen nodig om de teelt technisch te optimaliseren, maar ook voor de inbedding ervan binnen beleid. Ik zie deze wens opkomen bij het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), de door LNV gestarte uitwerking van kringlooplandbouw, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer, het (grond)water- en bodembeheer van provincies, het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer en het pachtbeleid. Overal is de roep om maatwerk en doelsturing, en dit kan alleen gerealiseerd worden als de kwaliteit van het landbouwbedrijf wordt gemonitord.

Om prestaties te monitoren is het belangrijk dat er gebruik kan worden gemaakt van gestandaardiseerde protocollen en kritische prestatie-indicatoren in relatie tot zowel de agrarische productiefunctie als ook de kwaliteit van de leefomgeving. Dit maakt doelsturing in het landbouwbeleid mogelijk en stimuleert het ondernemerschap. Mooie voorbeelden hiervan zijn de KringloopWijzer in de melkveehouderij (met focus op mineralenkringlopen), de Open Bodemindex (met focus op bodemkwaliteit), de Biodiversiteitsmonitor (met focus op biodiversiteit), en het BedrijfsBodemWaterPlan (met focus op waterkwantiteit en kwaliteit). De daarin ontwikkelde prestatie-indicatoren zijn resultaatgericht en leggen een relatie tussen perceels- en bedrijfskenmerken en de aanwezige doelen in een regio. Prestatie-indicatoren voor de betrokkenheid van burgers bij voedselproductie als ook de sociaaleconomische impact zijn helaas nog niet beschikbaar.

Via een systematiek van kritische prestatie-indicatoren is het ook mogelijk om de kosten en baten van verschillende bedrijfsstrategieën met elkaar te vergelijken en onderbouwd keuzes te maken. Dit omdat de opgaves als ook de uitdagingen per regio anders zijn, en er ook opgaves liggen die niet perse in lijn liggen met een duurzame landbouwbodem. Denk bijvoorbeeld aan de opgave om substantiële hoeveelheden koolstof op te slaan in de Nederlandse bodem (voor het klimaat), de opgave om nitraatuitspoeling naar het grondwater te voorkomen (voor kwaliteit grondwater), de teelt van biobrandstoffen (voor het klimaat) en het verlate maaien of inunderen van percelen om weidevogels in het voorjaar een plek te geven om te foerageren of te nestelen (voor natuurbeheer). Via een integrale set prestatie-indicatoren wordt duidelijk dat de winst voor de ene opgave een mogelijk knelpunt op kan leveren voor een andere opgave, en dat hierin ofwel keuzes moeten worden gemaakt ofwel mitigerende maatregelen moeten worden voorgesteld om trade-offs te voorkomen.

Bijkomend voordeel van benchmarking is het onderlinge gesprek tussen boeren. Het onderlinge gesprek faciliteert de kennisoverdracht tussen boeren onderling, tussen boeren en hun adviseurs en tussen boeren en de consument dan wel ketenpartijen. Standaardisatie van het management en bedrijfsvoering op basis van metingen en (gedeelde) praktijkkennis heeft tegelijkertijd ook als voordeel dat het de efficiëntie verhoogt en milieubelasting verlaagt.

Beloning op basis van bedrijfsspecifieke doelen

Veranderingen in de bodem en het landschap als gevolg van maatregelen laten zich vaak pas op lange termijn in resultaten zien. Veel maatregelen brengen kosten met zich mee die zich vooralsnog niet zomaar vanuit de markt laten vergoeden. Bij het uitvoeren van maatregelen is dus sprake van een financieel risico en van langetermijninvesteringen. Zolang de marktprijs voor de producten niet dekkend is voor de benodigde investeringen in duurzaam bodembeheer zijn er twee mogelijkheden om dit te stimuleren: of de overheid doet aan marktprijsregulering of de boer krijgt vergoedingen voor de werkzaamheden of prestaties op het gebied van ecosysteemdiensten. Een gebiedsgerichte aanpak rekening houdend met de variatie binnen en tussen bedrijven zou dan ook onderdeel moeten zijn van de EU Green Deal en de hervorming van het GLB van de EU. Als alle partijen dezelfde systematiek gebruiken, kan ook gewerkt worden aan gestapelde beloning.

Bij de ontwikkeling van nieuwe verdienmodellen kan de financiële sector een grote rol spelen, evenals lokale overheden. Allereerst kan men landbouwsubsidies hervormen door een sterkere koppeling met de impact op de kwaliteit van de leefomgeving. Deze gelden kunnen worden aangevuld met nationale middelen ten behoeve van de transitie naar kringlooplandbouw, de implementatie van de KRW en het natuurbeleid. Een alternatief spoor is het belonen via extra beleidsruimte in het kader van beregeningsbeleid, het mestbeleid (denk in dit kader aan het spoor van equivalentie in gebruiksnormen of flexibelere gebruiksvoorschriften bij bewezen kundigheid), de toegang tot pachtgronden, of de toegang tot investeringssubsidies. Private investeringen kunnen worden gestimuleerd via maatschappelijke beleggingen in grondfondsen of door lagere rentes te berekenen voor duurzame bedrijven vanwege het gunstiger risicoprofiel. Als individuele bedrijven dan wel netwerken van bedrijven in staat zijn om lokaal of regionaal de verbinding met de burger weer te herstellen, dan heeft dat ook effecten. Hier liggen juist veel kansen om de leegloop van het platteland te herstellen via vooruitstrevende jonge ondernemers die de relatie tussen burger, voedsel en markt versterken.

Tijd voor een nieuwe Mansholt-programma?

Het is van essentieel belang dat er partijen zijn die de regie nemen over de transitie van de landbouw naar nieuwe vormen waarin de relatie tussen burgers en voedselproductie wordt versterkt en waarin ook niet landbouwkundige doelen een rol spelen. Dit is een spannende ontwikkeling, want tot op heden is dit nog nooit (of alleen heel lokaal) gebeurd. Ik denk dat het daarom tijd wordt voor een nieuwe Mansholt-doctrine en -programma om boerenbedrijven, overheden en marktpartijen te faciliteren om deze transitie te realiseren.

Een gebiedsgerichte aanpak dat aansluit bij het handelingsperspectief per bedrijf zou mijns inziens de kern moeten zijn van deze vernieuwde Mansholt-doctrine. Concreet resulteert dit in gebiedsarrangementen waarbij belanghebbenden via nieuwe sets van spelregels (inclusief rechten en plichten) gebiedswaarden ontwikkelen en valoriseren. Als er gewerkt wordt met gebiedssturing op basis van landbouwkundige, sociaaleconomische en milieuprestaties, dan is een sturingsmechanisme nodig waarbij ofwel de overheid (als belangrijkste actor rond milieukundige opgaves) dan wel een marktpartij (als investeerder of afnemer of groepen consumenten) afspraken maakt met bij voorkeur een collectief bestaande uit alle relevante actoren binnen een regio. Hierbij gaan afspraken verder dan alleen het vaststellen van regels en normen; het omvat ook inzicht in verantwoordelijkheden en een afrekenstructuur om zo ook niet-landbouwkundige ecosysteem-diensten en sociale innovatie (herwaardering van voedsel) te belonen. Het hier genoemde collectief kan een nieuwe juridische entiteit worden waarmee afspraken worden gemaakt en deze is verantwoordelijk voor een correcte uitvoering en de verdeling van kosten en baten richting haar leden. Dit mechanisme is niet nieuw en lijkt op de rol van agrarische collectieven binnen het huidige ANLB. De concrete uitwerking ervan behoeft nog verdere doordenking in relatie tot de betrokken partijen als ook het huidige (mest)beleid en financieringsmodellen.

Belangrijk voor het succes van deze gebiedsarrangementen is dat publieke en private partijen er op basis van gelijkwaardigheid bij worden betrokken. Zo’n samenwerking vraagt wel om een nieuwe gemeenschappelijke taal, helderheid over ieders belangen en een langetermijnhorizon van minimaal twintig jaar. De kans op succes neemt toe als i) er één arrangement en aanspreekpunt per regio is, ii) alle actoren zijn betrokken bij het opstellen van doelen en governance-structuren, iii) gebiedsdoelen onderhandelbaar zijn en meerdere beleidsdossiers worden betrokken, iv) er economisch perspectief blijft voor de landbouw en er v) instrumenten zijn om individuele bedrijven aan te spreken en af te rekenen. Een voor de hand liggende rol voor het Rijk of provincie is de zorg voor duidelijke kaders en facilitering van het uitvoeringsproces, bijvoorbeeld bij de vertaling van internationale doelen naar de regionale opgave en bij de omgang met belangentegenstellingen en conflicten. Dit omhelst ook een opgave om de huidige verkokering van beleid (over meerdere ministeries als ook centraal en decentraal) bij te sturen. Inbreng van de Rijksoverheid blijft daarnaast noodzakelijk omdat ingrepen op een bepaald bedrijf de mogelijkheden om elders de doelen te halen kunnen beperken of juist vergroten. Regio‑, product- en voedingspecifieke ontwikkelingen vragen om nieuwe toegepaste wet‑ en regelgeving.

Rol voor gebiedsarrangementen?

Vanuit mijn zorg dat het produceren van voldoende gezond en veilig voedsel voor mens en dier ondersneeuwt binnen het geweld van milieukundige doelen, is het belangrijk dat partijen gezamenlijk met de agrarische sector de regie te nemen in de regio. Ondersteund door wetenschap en beleid. Om deze transitie te faciliteren is inbreng nodig van:

  • actuele kennis van het agrarisch bedrijf en het vakmanschap om via duurzaam bodembeheer en management te sturen op landbouwkundige en milieukundige doelen;
  • een actuele en innovatieve benadering van een meetinstrumentarium om bodemkwaliteit en landschappelijke “bodemfuncties” in kaart te brengen, te monitoren en in te bedden binnen bedrijfsgerichte adviesprogramma’s;
  • een actief netwerk van zowel kennisontwikkelaars als bedrijfsadviseurs waarmee de benodigde kennis voor gebiedsoplossingen concreet kan worden gemaakt in meetbare doelen en nieuwe verdienmodellen.
  • een betrokken sparringpartnerschap om met financiële partijen, ketenpartijen en overheden te zoeken naar de verwaarding van ecosysteemdiensten binnen realistische financierings-constructies of beleidsinstrumenten.
  • een binding met lokale en regionale onderwijsinstellingen en burgers om zo de binding en interactie tussen stad en platteland te vergroten en burgers te betrekken bij de voedselproductie.

Hoe verder?

En wat betekent dit nu voor elke boer in Nederland? Hoe kan hij / zij een bedrijfsstrategie ontwerpen waarmee landbouwkundige en milieukundige opgaves elkaar versterken en waarmee de verbinding met de burger weer wordt hersteld? Daarover meer in deel 3 van deze serie.

 

Deze column is eerder verschenen op LinkedIn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Gerard Ros, e-mail gerard.ros@nmi-agro.nl



Geef een reactie