De Boer 2.0 van de toekomst (1/4)

Het agrarisch bedrijf als integrator van ecosysteemdiensten, deel 1

De landbouw staat voor een aantal grote uitdagingen. Voor een groot deel heeft dat te maken met de toenemende verwachtingen van overheid en markt rond het verduurzamen van de gewasproductie als ook het leveren van diensten aan gebiedsgerichte opgaven voor klimaat, waterkwaliteit, waterkwantiteit en biodiversiteit. Tegelijkertijd staat het verdienmodel onder druk en is de continuering van bedrijfsopvolging een steeds vaker voorkomend knelpunt. Hoe kun je als boer en als agrarisch bedrijf hier nu het best op inspelen? Want één ding is duidelijk: de landbouw in Nederland loopt tegen grenzen aan. De stapel rapporten over een omslag naar een duurzamer landbouwsysteem wordt hoger en hoger. Betekent dat ook dat we op zoek zijn naar de nieuwe boer van de toekomst?

Om als agrarische sector de cirkel van intensivering en schaalvergroting te doorbreken en als agrarische ondernemer zelf weer regie te nemen over de toekomst van de landbouw, zie ik kansen voor een landbouwbedrijf als integrator van ecosysteemdiensten. Een bedrijf ingebed binnen een regionaal voedselsysteem. Een voedselsysteem waar voedsel, omgeving, landbouw en gezondheid sterk verweven zijn.

In een korte serie artikelen wil ik een pleidooi voeren voor het vakmanschap van de boer door hem centraal te stellen in de beoogde transitie. Een transitie met het agrarisch bedrijf in het middelpunt. Om de boer weer (terug) aan het stuur te krijgen en hem concreet handelingsperspectief te bieden. Om zo een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de leefomgeving.

Het agrarisch bedrijf weer centraal

We gaan daarvoor wel een lange reis maken. De werkelijkheid rondom het boerenbedrijf en de benodigde transitie zijn namelijk te ingewikkeld om in een paar zinnen op te lossen. In dit eerste artikel verken ik een aantal gedachtenlijnen rond de achtergrond en noodzaak van de transitie waar de landbouw voor staat, de daarvoor benodigde innovaties en evalueer ik de merites van de recent opgekomen planologische aanpak. Ik eindig met een eerste aanzet voor een bedrijfsgerichte aanpak waarbij regionale doelen concreet gemaakt worden tot op het boerenerf. Met oog voor de ondernemer en de kwaliteit van de leefomgeving. Met een gegarandeerd effect op de welbekende 4-returns: rendement van financieel, natuurlijk en sociaal kapitaal als ook van inspiratie. In deel twee ga ik dieper in op de vijf basisprincipes die nodig zijn om op elk boerenbedrijf de juiste keuzes te maken voor (investeringen in) bodembeheer, bouwplan, gewasbescherming en nutriënten management en hoe dat binnen een Plan-Do-Act-Cyclus concreet gemaakt kan worden. In deel drie illustreer ik de kracht van deze aanpak voor zowel het bedrijf als de kwaliteit van de leefomgeving met praktische voorbeelden vanuit de boerenpraktijk. En pas hierna zal ik mijn visie samenvatten in een aantal stellingnames om zo richting geven aan de boerderij van de toekomst.

Vooruitlopend daarop alvast een eerste opzet van mijn visie in een conceptuele figuur. Een aanpak waarbij een gegarandeerde groei in 4-returns kan worden gerealiseerd door een continue cyclus van activiteiten geleid door vijf basisprincipes.

No alt text provided for this image

Maar vandaag wil ik allereerst een basis leggen onder dit concept.

Het huidige systeem wankelt

Voortbouwend op de visie van Mansholt is het landschap de afgelopen 50 jaar heringericht, zijn logistieke systemen efficiënter gemaakt en zijn gewasopbrengsten gestegen. Onze landbouwbedrijven behoren dan ook tot de meest efficiënte bedrijven qua milieubelasting. Tegelijk werd de relatie tussen boer en burger zwakker, verloor hij de regie over de prijs van het voedsel en nam de ecologische voetafdruk toe. Grote zorgen rond dramatische afnames van insecten, weidevogels en de biodiversiteit van het bodemleven als ook verdroging van natuur zijn hiervoor illustratief. Deze ecologische knelpunten leiden op hun beurt weer tot toenemende risico’s voor gewasopbrengst en voedselveiligheid. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van bodemverdichting, ziektewerendheid en droogteschade.

De cruciale vraag hier is hoe boeren de huidige hoog productieve vorm van landbouw kunnen combineren met maximale prestaties op het vlak van andere ecosysteemdiensten. En hoe zij daarbij tegelijkertijd de verbinding met burgers weten te herstellen zodat burgers de kwaliteit van voedsel weer waarderen en voor deze kwaliteit ook gaan betalen. Concreet: kun je gewasproductie maximaliseren terwijl je maximaal koolstof in de bodem vastlegt, ziekten en plagen op natuurlijke wijze onderdrukt en tegelijkertijd de uitstoot van broeikasgassen naar de atmosfeer en van nutriënten naar het grond- en oppervlaktewater beperkt? Het antwoord is mijns inziens nog niet zo evident. De heilige graal van maximale landbouwproductie zonder milieu-impact is volgens mij niet realiseerbaar, maar ik zie tegelijkertijd veel ruimte voor synergie tussen landbouw en de kwaliteit van de leefomgeving.

De noodzaak van transitie en innovatie

Een duurzame voedselproductie vereist zowel een regionaal als een wereldwijd perspectief omdat ook de opgaves landsgrenzen overstijgen. Dit geldt allereerst voor het voedselvraagstuk, maar in toenemende mate ook voor de vraagstukken rondom klimaat en de kwaliteit van de leefomgeving. De boer van de toekomst moet in staat zijn om het produceren van voedsel te combineren met minimale verliezen van koolstof, nutriënten en pesticiden naar het milieu, om een positieve bijdrage leveren aan voeding gerelateerde gezondheidsproblemen bij mens en dier; hij moet oog houden voor een gezonde bodem en aanwezige reststromen vanuit de voedselketen maximaal recyclen. De kwaliteit van de bodem als ook het agrarisch landgebruik speelt in al deze vraagstukken een cruciale rol, en er zijn met de Sustainable Development Goals dan ook concrete doelen gesteld om beide verder te verduurzamen. Het 4-promille initiatief verbreedt dit naar een opgave om koolstof op te slaan in de bodem en zo de impact van broeikasgassen te mitigeren.

Eerdere studies hebben laten zien dat er minimaal zes innovaties nodig zijn om de landbouw van de toekomst vorm te geven. Dit zijn i) de ontwikkeling van beleidsinstrumenten en verdienmodellen waarin duurzaamheid wordt beloond, ii) een op data en sensoren gebaseerde optimalisatie van gewasproductie, iii) het sluiten van kringlopen van nutriënten over de hele voedselketen, iv) het gebruik van efficiënte meststoffen, v) de teelt van gewassen die specifieke tekorten aan voedingsstoffen bij mens en dier verminderen, en vi) een verdergaande samenwerking tussen publieke en private partijen om innovatieve kennis en tools te ontwikkelen en te vermarkten. Naast deze zes genoemde innovaties is ook een grondige herziening nodig van het sociaaleconomische systeem.

Het grootste knelpunt ligt namelijk niet in de techniek of landbouwpraktijk, maar in de sociaaleconomische werkelijkheid dat burgers en consumenten de binding met het voedselsysteem zijn kwijtgeraakt en zich sterk laten leiden door een lage prijs. De gewenste transitie van de landbouw moet daarom samengaan met een vernieuwing van de waardering van voedsel(productie). Juist omdat voedsel belangrijk is voor de humane gezondheid en we meer en meer eisen stellen aan de kwaliteit van onze leefomgeving moet de verbinding tussen boer en burger worden hersteld. En deze uitdaging ligt allereerst op het lokale en regionale schaalniveau; lokale netwerken en fysiek contact zijn namelijk cruciaal om een nieuwe eetcultuur te bevorderen waarmee de productie van voedsel, de duurzaamheid van het productieproces en de relatie met humane gezondheid kan worden gewaardeerd. Om toekomstbestendig te zijn, moet een bedrijf daarom niet alleen innoveren op technisch en landbouwkundig vlak, maar is ook een heroriëntatie nodig van zijn positie op de regionale markt als ook zijn relatie met ketenpartijen die de verbinding leggen tussen regionale markten wereldwijd.

Misschien nog wel relevanter dan de ontwikkeling van innovatieve en duurzame productiesystemen is de inbedding van regionale ecosysteemdiensten binnen een sociaaleconomische vernieuwing van het voedselsysteem. Via nieuwe waardeproposities en samenwerkingsverbanden met onderwijsinstellingen en consumenten kunnen bedrijven actief bijdragen aan herwaardering van hoogkwalitatief voedsel. Dit legt daarmee ook de basis voor verdienmodellen die gedragen worden vanuit publieke en private stakeholders. De samenwerkingscultuur, de aanwezige innovatiekracht en het bekende “poldermodel” maakt hierbij Nederland tot een ideale proeftuin voor het finetunen en concretiseren van het toekomstige landbouwbedrijf.

Is een landschappelijke regie voldoende?

Recente studies suggereren in sterke mate dat een gebiedsgerichte (planologische) aanpak nodig is om zo de omslag naar een duurzame en toekomstbestendige landbouw mogelijk te maken. Een aanpak die aansluit op de ecologische draagkracht van de leefomgeving. Om deze gebiedsaanpak concreet te maken wordt het landschap ingedeeld in ‘zones’ die variëren in draagkracht en landbouwkundige potentie. In samenspraak met de lokale en regionale stakeholders kan vervolgens per zone gezocht worden naar een type landbouwbedrijf dat zorgt voor maximalisatie van het rendement op financieel, natuurlijk en sociaal kapitaal als ook inspiratie en zingeving biedt voor betrokken partijen.

Ik zie echter dat de afweging tussen landbouwkundige en milieukundige doelen in veel van deze studies ten nadele uitvalt van de agrarische productiefunctie (en daarmee ook het wereldwijde perspectief) en dat positieve effecten van een regeneratieve, biologisch of natuur-inclusieve vorm van landbouw sterk worden overschat. Vaak heeft dat te maken met een terechte zorg over de achteruitgang in milieukundige doelen, een regionale focus op het voedselvraagstuk, een beperkte kennis van de huidige landbouwpraktijk en een maakbaarheidsgeloof waarin het mogelijk is om ingewikkelde opgave op te lossen via een ruimtelijke herverdeling van agrarische activiteiten. Het is mijn zorg dat er in al deze benaderingen geen of onvoldoende afweging is van kosten en baten en dat de inkomsten uit de markt voor de niet landbouwkundige ecosysteemdiensten worden overschat. Een focus op het agrarisch bedrijf zet mijns inziens de waardevolle gedachtelijnen van deze visies om in concreet handelingsperspectief en voorkomt het bouwen van luchtkastelen.

Het bekende 4 returns-model van landschapsbeheer spreekt bijvoorbeeld over een natuurlijke, een gemengde en economische zone waarbij in de natuurlijke zone de focust ligt op herstel en versterking van natuur en de economische zone zich focust op stedelijk gebied en productielandbouw. Binnen de gemengde zone wordt dan een regeneratieve vorm van landbouw toegepast waarbij natuurlijke ecosysteemdiensten geïntegreerd zijn binnen het landbouwkundig gebruik van de bodem. De natuur-inclusieve vorm van landgebruik zou de bodemvruchtbaarheid verhogen, de waterkwaliteit verbeteren, extra koolstof opslaan in de bodem, het watervasthoudend vermogen van de bodem vergroten, en een positieve impuls geven aan biodiversiteitsherstel. De natuurlijke zone is bedoeld om de veerkracht van het hele gebied te verhogen en genereert een hele scala aan ecosysteemdiensten waarmee ook het aanwezige landbouwgebied in staat is om met minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen de voedselproductie te behouden.

Deze aanpak gaat daarmee voorbij aan de intrinsieke trade-offs die er bestaan tussen de verschillende ecosysteemdiensten en versimpelt de huidige landbouwpraktijk als een vorm van landbouw die (per definitie) de natuur onder druk zet zonder oog te hebben voor de kwaliteit van de leefomgeving. Op een vergelijkbare manier wordt het landbouwsysteem vaak karikaturaal versimpeld door te stellen dat alle milieukundige problemen veroorzaakt worden door de productie-gedreven landbouw, terwijl de natuurinclusieve landbouw alle diensten levert die we als maatschappij verlangen van het landelijk gebied. Hiermee wordt de huidige agrarische sector tekort gedaan en worden er te veel en te hoge eisen gesteld aan de bodem, eisen die in de landbouwpraktijk zelden allemaal tegelijk relevant zijn. Kortom, het wordt tijd voor een stukje boerenverstand in deze problematiek.

Het agrarisch bedrijf als integrator

In aanvulling op deze landschappelijke georiënteerde concepten voer ik een pleidooi om het agrarisch bedrijf met bijbehorende percelen weer centraal te stellen in regionale en landelijke opgaves rond de kwaliteit van de leefomgeving. Wat betekenen de internationale en nationale uitdagingen nu voor de toekomst van een agrarisch bedrijf? Hoe kan een landbouwbedrijf rekening houden met de ecologische draagkracht en tegelijk voldoen aan de groeiende vraag naar voldoende en hoog kwalitatief voedsel? Door het bedrijf te positioneren als integrator van ecosysteemdiensten op zowel lokaal als regionaal niveau, ontstaan er mijns inziens kansen en concreet handelingsperspectief.

Dit klinkt natuurlijk nog heel abstract, maar vraagt om een concrete bedrijfsstrategie waarin de 4-returns leidend zijn om te ontwikkelen. Een bedrijfsstrategie dat er voor zorgt dat zowel het strategisch als het operationeel management jaarlijks worden gemonitord en er actief wordt bijgestuurd op basis van metingen, ervaringen en praktijkkennis. In mijn ogen betekent dit een strategie gericht om:

  • het natuurlijk kapitaal van de bodem te beschermen en te maximaliseren voor de landbouwproductie.
  • de kringlopen van koolstof, water en nutriënten maximaal te sluiten
  • de synergie tussen voedselproductie, milieu en gezondheid te versterken en trade-offs te mitigeren,
  • de daadwerkelijke impact op de 4-returns te valoriseren, en
  • volhoudbaar te groeien binnen het bestaande (dan wel veranderende) economisch landschap.

Een uitdaging? Zeker. Onrealistisch? Nee. In de volgende twee artikelen hoop ik in meer detail te laten zien hoe dit concreet gemaakt kan worden voor een agrarisch bedrijf. Om zo nog duidelijker te krijgen hoe de toekomstige boer vorm kan geven aan een duurzaam en florerend landbouwbedrijf. Een bedrijf dat inspiratie biedt voor collega’s, beleidsmakers en ketenpartijen. Ik ben benieuwd…

Acknowledgement

Voor de ontwikkeling van deze visie ben ik schatplichtig aan diverse publicaties van Bakker et al. (2020), Bruulsema et al (2020), Erisman & Verhoeven (2020), Ferwerda & Schoenmaker (2020), Huijgen (2020), Rli (2020), Rabobank (2020), Schroder et al. (2020), Van der Putten (2020), Verhoeven & Ros (2020) en Westerhof et al. (2016) als ook aan gesprekken met collega’s van het NMI, Agrocares, en HLB.

 

Deze column is eerder verschenen op LinkedIn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Gerard Ros, e-mail gerard.ros@nmi-agro.nl



Geef een reactie