Regeneratieve landbouw, een hype?

Een kritische reflectie

Een landbouw die biodiversiteit vergroot, vruchtbare bodems creëert, koolstof opvangt en vasthoudt, vervuiling van water en lucht uitbant, afval minimaliseert, uitsluitend gebruik maakt van regenwater, alleen duurzame energie gebruikt, en de geleerde lessen deelt en de samenleving bij het bedrijf betrekt… wie wil dat nu niet? Met deze boodschap starten er allerlei nieuwe initiatieven in Nederland (en wereldwijd) om de huidige landbouwpraktijk te vernieuwen richting regeneratieve landbouw. Een landbouw zonder negatieve bij-effecten. Want de huidige landbouw zorgt toch voor degradatie van de bodem, voor verlies van biodiversiteit, voor vervuiling van lucht, water en bodem en vernietigt de kwaliteit van het landschap?

Als bodemkundige en agronoom begint het bij mij altijd te kriebelen als ik deze karikaturen lees. Ja, er zijn grote zorgen rondom de kwaliteit van de leefomgeving. En ja, de landbouwsector moet vernieuwen om daar een positieve bijdrage aan te kunnen leveren. Tegelijk boert een groot deel van de agrarische bedrijven conform de “Goede Landbouwpraktijk” en draagt daarmee heel bewust zorg voor de kwaliteit van de leefomgeving. En misschien nog wel belangrijker: landbouw is nodig om voldoende en gezond voedsel te produceren en deze “taak” zorgt onvermijdelijk voor milieukundige gevolgen. We leven niet in een perfecte wereld… Is dat de reden achter de hype rond regeneratieve landbouw? Omdat het oplossingen lijkt te bieden voor een onoplosbaar probleem?

Recent kwam ik een constructief review onder ogen van prof. Giller en collega’s getiteld ‘Regenerative Agriculture: an agronomic perspective‘. Erg waardevol. Zij concluderen dat veel landbouwkundige maatregelen die als regeneratief worden gepromoot al decennia lang centraal staan in de canon van ‘de Goede Landbouwpraktijk” en als zodanig dus niet nieuw zijn. Daarnaast kan de impact van regeneratieve maatregelen sterk variëren over tijd en ruimte: er is dus geen “one size fits all” oplossing. De auteurs van dit artikel stellen dat de huidige positionering van ‘regeneratieve landbouw’ als oplossing van de landbouwcrisis (voor bodem, biodiversiteit, klimaat en water) het debat verwart en de aandacht afleidt van de echte uitdagingen. Ik neem jullie mee met een aantal denklijnen vanuit dit review.

Wat wil Regeneratieve Landbouw?

Al lezend in de vele websites, projectvoorstellen en rapportages rondom Regeneratieve Landbouw komen er een aantal speerpunten naar voren. Deze ‘nieuwe vorm’ van landbouw wordt vrijwel altijd gezien als oplossing om de achteruitgang in bodemkwaliteit te stoppen, om de rol van het bodemleven nieuw leven in te blazen, om extra organische stof aan te voeren (en zo een bijdrage te leveren aan klimaatproblematiek) en om de grote achteruitgang in biodiversiteit om te keren.

Hiermee worden dus drie aannames gedaan. Allereerst de aanname dat het daadwerkelijk slecht gaat met de bodemkwaliteit en biodiversiteit in Nederland. Ten tweede dat de landbouwpraktijk daar de belangrijkste oorzaak van is. Ten derde dat (alleen) regeneratieve maatregelen helpen om de kwaliteit te herstellen en te verbeteren. Laten we deze aannames eens langslopen.

Aanname 1. Het gaat slecht met de landbouwbodem en de biodiversiteit.

Hoe goed of slecht gaat het met de landbouwbodem? In een eerdere serie over de kwaliteit van de Nederlandse landbouwbodems heb ik laten zien dat de omschrijving van de bodemkwaliteit als zijnde “uitgemergeld, verdroogd, en vergiftigd” eerder een karikatuur is dan een goed beeld geeft van de werkelijke situatie. Boeren zorgen over het algemeen heel goed voor hun bodem. Zorgen zijn er wel, met name rond het voorkomen van bodemverdichting en de verspreiding van bodem-gerelateerde ziekten en plagen. Wat betreft biodiversiteit zijn er studies die laten zien dat de diversiteit op landbouwpercelen is afgenomen. Dat er een relatie is met de uniformering van het landschap, het landgebruik en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is evident. Onduidelijk is echter in welke mate deze versmalling van het bodemvoedselweb zorgt voor een afname in de weerbaarheid van de bodem en de ecosysteemdiensten die de bodem levert. Veel wetenschappelijk onderzoek naar dit onderwerp is namelijk statistisch van aard en toont aan dat natuurlijke ecosystemen verschillen van grasland en bouwland. Hoe erg dat is, is onduidelijk. Of deze verschillen ook landbouwkundig nadelig zijn, is niet bekend, en mechanistische verklaringen voor de verschillen in bodembiodiversiteit zijn vooralsnog hypotheses die roepen om nieuwe inzichten.

Aanname 2. De landbouw is de oorzaak

Intensief bodemgebruik wordt gezien als de oorzaak van milieukundige problemen. Een terechte observatie is mijn mening. Er zijn tientallen studies die laten zien dat regio’s met veel monoculturen gevoeliger zijn voor (verspreiding) van ziektes. Diverse meta-analyses laten bijvoorbeeld zien dat het gebruik van pesticiden mede verantwoordelijk is voor de afname in de insectenpopulatie. Ook de praktijkervaring op veel agrarische bedrijven bevestigt dit. Ook is het evident dat er wereldwijd sprake is van een grote afname van biodiversiteit, al is deze afname niet alleen het gevolg van de industrialisering van de landbouw maar ook van verdergaande verstedelijking. Wel wordt terecht opgemerkt dat binnen de huidige landbouwpraktijk er heel bewust wordt nagedacht over bodembeheer en bemesting om zo de kwaliteit van de landbouwbodem te verbeteren en geschikt te houden voor landbouwkundig gebruik. Dit roept de vraag op: als dit laatste waar is, is dan een landbouw wel mogelijk zonder milieukundige problemen?

Aanname 3. Regeneratieve maatregelen helpen

Binnen de regeneratieve landbouw worden verschillende maatregelen voorgesteld om de kwaliteit van de bodem en de bodembiodiversiteit te verhogen. De belangrijkste maatregelen zijn: een divers bouwplan, veel gebruik van organische mest (en variatie daarin), gebruik van (gemixte) groenbemesters als ook het vermijden van grondbewerking, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen. Tja, de eerste vier maatregelen zijn al onderdeel van de ‘Goede Landbouwpraktijk’ en worden op het merendeel van de landbouwbedrijven toegepast. Tegelijk is het een utopie dat daarmee de kwaliteit van de leefomgeving alleen maar verbeterd: veel regeneratieve maatregelen die heel positief zijn voor het bodemleven kunnen ook een negatief effect hebben op uitspoeling, lachgasemissie en gewasproductie. Daarnaast is het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen landbouwkundig een vereiste om voldoende en gezond voedsel te produceren. Deze middelen worden in de gangbare landbouw niet zonder na te denken toegepast; veelal is er sprake van een klassieke landbouwkundige benadering van “integrated pest and disease management” waarbij gefocust wordt op minimalisatie van middelen voor een maximaal resultaat.

Nutriënten zijn daarbij van een andere orde dan pesticiden. Zeker in landen waar de bodems niet zo vruchtbaar zijn als in Nederland. De meeste Nederlandse landbouwbodems zijn rijk aan nutriënten en het gehalte organische stof ligt (ver) boven het landbouwkundig optimum. Een generieke uitspraak om kunstmest of gewasbescherming af te schaffen, houdt onvoldoende rekening met het feit dat bodems sterk verschillen in kwaliteit als ook dat deze middelen op veel plekken in de wereld nodig zijn om de bodemkwaliteit te verbeteren (nutriënten) en voedsel te produceren om te leven (nutriënten en gewasbescherming).

Vooruitblik

Deze evaluatie laat zien dat we met elkaar voor een vrijwel onmogelijke keuze staan. Elke vorm van landbouw heeft namelijk onvermijdelijke trade-offs op de kwaliteit van de leefomgeving en tegelijk is er een groeiende vraag naar meer en gezond voedsel. Hoe moet de landbouw omgaan met de nog steeds groeiende wereldbevolking, een bevolking die vraagt om voldoende en gezond voedsel? Landbouwkundig zijn er dan twee opties: we verhogen de productiviteit per hectare (en laten het oppervlak natuur in stand) of we vergroten het landbouwkundig areaal (en accepteren een lagere productiviteit vanwege de milieuwinst). In beide situaties zijn er nadelige effecten voor zowel de biodiversiteit als ook de koolstofopslag in de bodem.

Tegelijk moet deze problematiek ons niet verlammen. Juist het feit dat de relatie tussen landbouw en de kwaliteit van de leefomgeving afhangt van het agrarisch management biedt ook kansen en oplossingen. Door de doelen voor het verbeteren van circulariteit, het tegengaan van klimaatverandering, het verbeteren van waterkwaliteit en kwantiteit, het verbeteren van bodemkwaliteit, het herstellen van biodiversiteit en het verbeteren van plant- en diergezondheid te vertalen in concrete handelingen op het bedrijf wordt helder dat niet alles kan op dezelfde plek en dat het produceren van gezond voedsel onvermijdelijk negatieve gevolgen heeft. We leven niet in een ideale wereld. Maar juist in deze vertaling naar acties wordt ook helder dat het mogelijk is om de kwaliteit van de leefomgeving maximaal te beschermen. Elke handeling van de boer, zoals het bodembeheer (ploegen, bekalken, draineren, beregenen) en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen (kunstmest, drijfmest, compost, reststromen) als ook de strategische keuze een bedrijfsstijl (extensief of intensief) heeft namelijk impact. Dat betekent dus ook dat de boer aan het stuur staat van oplossingen.

Wat mij betreft is de hele hype rondom regeneratieve landbouw een pleidooi voor goed maatwerk per bedrijf. En dat maatwerk kan vorm krijgen op allerlei soorten bedrijven: van intensief tot extensief, van biologisch tot conventioneel, en zelfs ook op regeneratieve en natuur-inclusieve bedrijven. Maar laten we wederzijdse karikaturen vermijden, realistisch blijven in toekomstverwachtingen en boeren stimuleren om voortdurend te blijven leren en te streven naar duurzame groei.

Literatuur

Giller et al. (2021) Regenerative Agriculture: an agronomic perspective. Outlook on Agriculture, 1-13.

Deze column is eerder verschenen op LinkedIn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Gerard Ros, e-mail gerard.ros@nmi-agro.nl



Geef een antwoord