Pilot Kringlooplandbouw Veenkoloniën

De pilot kringlooplandbouw Veenkoloniën is gericht op het sluiten van kringlopen op regioniveau en loopt tussen juni 2020 en december 2021. Door het beter sluiten van nutriëntenkringlopen worden emissies verminderd en door het toepassen van organische reststoffen kan de bodemkwaliteit worden gehandhaafd en/of verbeterd.  We gaan na of en zo ja hoe dit bij kan dragen aan het verbeteren van de biodiversiteit en het rendement van bedrijven in de akkerbouw en veehouderij in de Veenkoloniën. Dit project maakt onderdeel uit van het project ‘Innovatie biodiversiteit Veenkoloniën dat in juni 2020 is gestart

De activiteiten worden in samenwerking met PPO Lelystad uitgevoerd.

 

 

Wat gaan we doen tussen juni 2020 en december 2021

We richten ons op de volgende zaken:

  • Hoe ziet de kringloop van de Veenkoloniën eruit? Hoeveel nutriënten komen er op welke plekken vrij en hoeveel van welke nutriënten/inputs zijn op andere plaatsen nodig?
  • Welke grote reststromen uit de voedselketen zijn er in de regio beschikbaar en waar in de keten kunnen deze (eventueel na bewerking) worden gebruikt?
    • Wat zijn kansen en knelpunten voor meer hergebruik, nieuwe teelten, wat zijn mogelijke besparingen (energie, water, grondstoffen, kosten) en wat zijn de effecten op de bodemkwaliteit?
  • Welke stappen moeten gezet worden om deze ontwikkeling op gang te brengen?
    • Daarvoor willen demo’s en pilots opzetten met ondernemers
  • Hoe kunnen deze stappen bijdragen aan de biodiversiteit (bijvoorbeeld door een betere bodemkwaliteit met meer organisch materiaal)?

Dit willen we doen in nauwe samenwerking met agrariërs, gebiedspartijen en industriële verwerkers in de voedselketen. Voor ons is daarbij het investeren in kennisoverdracht en kennisontwikkeling via studiegroepen en kennisbijeenkomsten over nieuwe mogelijkheden van groot belang. We gaan daarom na welke besliscriteria van invloed zijn om kansrijke reststromen in te zetten in de bedrijfsvoering van het akker/veehouderijbedrijf om succesvol stappen te zetten in de kringlooplandbouw.

Verder beogen we om de beantwoording van de vragen te laten landen in een aantal pilots. Daarbij gaat het om zowel de toepasbaarheid als de meerwaarde van (ver)nieuwe(nde) reststromen te demonstreren/toetsen in samenspraak met stakeholders (leveranciers van reststromen), de agrarische praktijk en de samenleving.

Pilots met reststromen en of krachtvoervervangers

  • Bio-energy Coevorden vergist mest en organische reststromen. Naast biogas ontstaat ammoniumsulfaat oplossing (8%) en een P- en K-rijke mestkorrel (uit digestaat). Beiden producten worden nu geëxporteerd. We zien kansen om de ammoniumsulfaat lokaal in te zetten als kunstmestvervanger. Pilots worden in 2020 opgezet.
  • Sommige laagwaardige reststromen uit de verwerkende industrie (Avebe, Cosun, Holland malt) hebben potentie heeft voor de teelt van insecten.  Naast insecten eiwit ontstaat insectenmest die hoogwaardig ingezet kan worden als bodeverbeteraar in specifieke teelten Dit wordt de komende tijd nader uitgezocht.
  • Teelt van meer eiwit. Relatief nieuw voor de regio zijn mengteelten, maïs en granen in combinatie met een vlinderbloemige. We verwachten van de mengteelt een stimulans voor de biodiversiteit en meer eiwit productie van een ha, waarbij het geoogste eindproduct deels krachtvoer in de melkveehouderij kan vervangen en tegelijk een besparing geeft op de aanvoer van meststoffen.

Beoogd wordt de beantwoording van deze vragen te laten landen in een aantal pilots, waarbij zowel de toepasbaarheid als de meerwaarde van (ver)nieuwe(nde) reststromen wordt gedemonstreerd/getoetst in samenspraak met Stakeholders (leveranciers van reststromen), de agrarische praktijk en samenleving. Nagegaan wordt welke besliscriteria van invloed zijn om kansrijke reststromen in te zetten in de bedrijfsvoering van het akker/veehouderijbedrijf.

Aanpak en eerste  resultaten

De nutriëntenbalans

De Veenkoloniën is overwegend een akkerbouwgebied met een klassiek bouwplan van zetmeelaardappelen, suikerbieten en granen (vooral zomergerst). Daarnaast is er melkveehouderij en zijn er wat kleiner teelten. Geïnventariseerd is hoe de nutriëntbehoefte van gewassen nu is ingevuld voor het akkerbouwareaal in de Veenkoloniën, inclusief de hoeveelheid effectieve organische stof (EOS) om de hoeveelheid organische stof in de bodem op peil te houden. Met organische mest wordt de stikstofbehoefte (kolom Nwz= werkzame stikstof) van gewassen voor ruim een derde gedekt. De rest wordt aangevuld met minerale meststoffen tot aan of net boven het advies (rode streep). Fosfaat wordt vrijwel volledig ingevuld met mest en compost, net als kali. De behoefte aan zwavel is laag. De behoefte aan magnesium en kalk wordt voor een belangrijk deel ingevuld via mest en compost. De kalkbehoefte is waarschijnlijk groter dan hier aangegeven, maar voor de aardappelteelt kiest men soms bewust voor een lage pH. De aanvoer van organisch stof bevindt zich op een goed niveau en is voldoende om 3-4% OS te handhaven. Op dalgronden komen vaak hogere OS-gehaltes voor die deels nog zijn terug te voeren op het voormalig veen wat in deze regio aanwezig was.


De aanvoer betreft (kunst)mest en (kracht) voeders voor de veehouderij. Er is ruimte voor gebiedseigen kunstmestvervangers en bodemverbeteraars. Belangrijke reststromen zijn groenafval (zoals natuurgras, bermgras, houtsnippers), swill, protamylasse, plantaardig digestaat, zuiveringsslib uit voedselverwerkende industrieën, etc.

 

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wim Bussink, e-mail wim.bussink@nmi-agro.nl, tel. 06 2903 7096