Pilot Roerdomptocht

De pilot Roerdomptocht helpt de boer stikstofbenutting te optimaliseren
In de pilot Roerdomptocht heeft NMI in de afgelopen drie jaar (2023-2025) samen met agrarisch ondernemers de stikstofbenutting op het bedrijf onder de loep genomen. Het project heeft de ondernemers meer inzicht gegeven in de stikstofbenutting en het risico van uit- en afspoeling naar grond- en oppervlaktewater in uiteenlopende situaties. Ook zijn maatregelen besproken en waar mogelijk toegepast om de stikstofbenutting op de percelen en bedrijven te optimaliseren. Een optimale stikstofbenutting is een randvoorwaarde om te komen tot hoge gewasopbrengsten met minimale uitspoelingsverliezen.

Wat hebben we gedaan?
In totaal hebben 18 ondernemers nabij de Roerdomptocht deelgenomen aan de pilot. Het betrof merendeels akkerbouwers, waarbij een deel gangbaar en een deel biologisch is. Daarnaast namen ook enkele fruittelers deel aan de pilot. Met de deelnemers zijn de volgende activiteiten ondernomen:

  • Inzicht geven door metingen: op een perceel per deelnemer zijn metingen aan minerale stikstof (Nmin, ofwel ammonium en nitraat) in meerdere bodemlagen verricht, waarbij inzicht werd verkregen in de dynamiek van stikstofbeschikbaarheid gedurende het seizoen. De Nmin-metingen in het najaar kunnen worden gebruikt voor doelsturing, dat momenteel sterk in de belangstelling staat in het kader van het 8e Nitraatactieprogramma. Ook zijn op perceelsniveau stikstofbalansen opgesteld, waarbij het verschil tussen de aan- en afvoer van stikstof kan worden gebruikt als indicator voor stikstofbenutting. Tevens zijn nitraatteststrips verstrekt aan de deelnemers, waarmee ze zelf het nitraatgehalte in drain- en slootwater konden meten, wat indicatief een indruk geeft van stikstofverliezen die optreden als sprake is van een neerslagoverschot.
  • Individuele begeleiding: in individuele keukentafelgesprekken is met de deelnemers aan de pilot gesproken over maatregelen die ze konden nemen om de stikstofbenutting te optimaliseren. Met alle deelnemers zijn afspraken gemaakt over te nemen maatregelen en in enkele gevallen zijn op percelen van de deelnemers demo’s aangelegd om te experimenteren met maatregelen en om het verschil met de gangbare werkwijze te toetsen. Ook zijn met enkele geïnteresseerde ondernemers berekeningen met een organische stof- en mineralisatiemodel uitgevoerd, om op basis van de berekende stikstofbeschikbaarheid te komen tot een goede planning van de benodigde bemesting met organische en/of minerale meststoffen.
  • Groepsbijeenkomsten: gedurende de looptijd van de pilot werden regelmatig groepsbijeenkomsten gehouden om de ervaringen uit te wisselen en van elkaar te leren.

Wat lieten de metingen zien?
De Nmin-metingen lieten zien dat er grote verschillen zijn tussen gewassen in de hoeveelheid stikstof die na de oogst in de bodem achterblijft, waarbij die hoeveelheid relatief hoog was bij gewassen als uien, spinazie, bloemkool, broccoli, tulpen en aardappelen en relatief laag bij suikerbieten, wintertarwe, grasland en vlas. In een perenboomgaard waren de Nmin-voorraden ook relatief hoog. De spreiding in de gemeten Nmin-voorraad na de oogst tussen percelen met een zelfde gewas was relatief groot, waarbij de Nmin-voorraad in de bovenste 90 cm van de bodem in het najaar bij aardappelen fluctueerde tussen 16 en 93 kg N/ha en bij uien tussen 38 en 160 kg Nmin/ha. Bij wintertarwe was de Nmin na de oogst meestal laag, maar zagen we soms toch hoge waarden als dierlijke mest werd toegediend voor de groenbemester. In een enkel geval werd via de mest meer stikstof gegeven dan de groenbemester opneemt, wat resulteert in een grote hoeveelheid reststikstof in de bodem in het najaar (77 kg N/ha).

Het is lastig sturen op de hoeveelheid Nmin in het najaar, aangezien dit wordt beïnvloed door management-maatregelen en een groot aantal bodemprocessen die optreden gedurende het groeiseizoen. De bodemprocessen, zoals mineralisatie, opname door het gewas en uitspoeling worden beïnvloed door de eigenschappen van het perceel (bodemvruchtbaarheid, historisch bodemgebruik in voorgaande jaren), het gewas/ras en het weer (temperatuur en neerslag). De wisselwerking tussen deze zaken bepaalt de stikstofdynamiek en wat er uiteindelijk aan minerale stikstof in de bodem van de percelen wordt gemeten.

Wat hebben we bereikt? En wat is toepasbaar voor anderen?
De Nmin-metingen hebben het inzicht bij de deelnemers verhoogd en de metingen, de gesprekken en bijeenkomsten hebben er toe geleid dat een deel van de deelnemers verbeteringen heeft aangebracht in de bedrijfsvoering die leiden tot een hogere stikstofbenutting en lagere uitspoelingsverliezen. Veel van die maatregelen zijn ook toepasbaar voor andere telers in het gebied. Hierbij valt met name te denken aan het volgende:

  • Groenbemesters na ‘slordige’ gewassen, zoals uien, spinazie en aardappelen, hoeven niet te worden bemest. Omdat er na de oogst van deze gewassen relatief veel stikstof achterblijft in de bodem is een bemesting van een groenbemester na die gewassen niet nodig en zinvol. Als dit wel wordt gedaan, leidt het tot een lage stikstofbenutting en hoge uitspoelingsverliezen.
  • Stem de bemesting in de nazomer / het najaar af op de behoefte van de groenbemester. Als een groenbemester wordt geteeld na de oogst van graan (veelal tarwe), is een bemesting van de groenbemester in het algemeen wel nodig, omdat het graan weinig stikstof in de bodem achterlaat. Het is in dat geval belangrijk om de hoeveelheid beschikbare stikstof die met die mest wordt toegediend af te stemmen op de stikstofbehoefte van de groenbemester. Als wordt gekozen voor een vaste, strorijke mest van rundvee en/of geiten in plaats van drijfmest worden uitspoelingsverliezen beperkt, aangezien de stikstof uit die strorijke mest geleidelijk vrijkomt.
  • Pas geen mest toe in de nazomer / het najaar als in het najaar geen gewas (groenbemester of wintergraan) op het perceel aanwezig is. Omdat een toepassing van organische mest altijd gepaard gaat met het vrijkomen van stikstof, moet dit alleen worden gedaan als daarna een groenbemester of wintergraan wordt gezaaid. Dit geldt ook bij het gebruik van vaste mest.
  • Als weinig nutriënten worden afgevoerd met het geoogste product (b.v. met peren), kan de aanvoer van nutriënten met meststoffen worden beperkt. Als er veel meer stikstof met meststoffen wordt aangevoerd dan er met oogstproducten van het gewas wordt afgevoerd, neemt het risico van een lage stikstofbenutting en hoge uitspoelingsverliezen toe.
  • Houdt bij de stikstofbemesting van gewassen rekening met de stikstoflevering uit de bodem en de voorvrucht (vooral gescheurd grasland, grasklaver, een ingewerkte groenbemester en suikerbieten en/of koolgewassen). Die stikstoflevering kan worden ingeschat op basis van kengetallen uit het Handboekbodemenbemesting.nl en/of op basis van een mineralisatiemodel.
  • Pas stikstofbijbemesting toe bij gewassen met een relatief lage stikstofbenutting waarvoor een bijmestadvies beschikbaar is. Omdat het lastig is om de verwachte stikstofmineralisatie gedurende het groeiseizoen op een perceel in het vroege voorjaar al te voorspellen, biedt het toepassen van stikstofbijbemesting kansen om de stikstofbenutting te optimaliseren. Dit is vooral bij het gewas aardappelen een goede mogelijkheid.

Waar liepen we tegenaan?
Op kleigrond is de nazomer / het najaar het beste moment om dierlijke mest toe te passen, omdat de grond dan vaak droog is en niet leidt tot verdichting en/of versmering van de bodem. Vanuit het oogpunt van stikstofbenutting is dit echter niet het beste moment en vraagt dit om een zorgvuldige aanpak, waarbij alleen mest wordt toegepast als er in het najaar een gewas (b.v. groenbemester) wordt geteeld en waarbij de mestgift wordt afgestemd op de stikstofbehoefte van het gewas. De negatieve prijs van veel dierlijke meststoffen (dit geldt in ieder geval voor drijfmest in de gangbare landbouw) helpt daarbij niet, aangezien het bij akkerbouwers zorgt voor een (financiële) prikkel om zoveel mogelijk dierlijke mest binnen de gebruiksnormen toe te passen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Romke Postma, e-mail romke.postma@nmi-agro.nl, tel. 06 4602 0776 of Dirk Thijssen, e-mail dirk.thijssen@nmi-agro.nl, tel. 06 5200 2194