- april 20, 2026
- Posted by: admin_1712
- Categorie:
Naast een basisgift dierlijke mest zijn vaak kleine aanvullingen met stikstof, zwavel en fosfaat nodig voor een optimale maisopbrengst. Dit is maatwerk. Kali is meestal voldoende beschikbaar met dierlijke mest. Voor fosfaat en zwavel is vaak een aanvulling nodig via een NPS-rijenmeststof.
Hoeveel mest er naar de mais gaat en hoeveel naar het grasland, is één van de vragen bij de start van het bemestingsseizoen. Op grasland kan mest beter tot waarde worden gebracht dan op maisland, mede door het langere groeiseizoen voor gras wat resulteert in meer graseiwit. Geadviseerd wordt daarom om op maisland de mestgift te beperken tot 30 m3 per ha. In combinatie met de stikstofnalevering uit het vanggewas volstaat veelal 30-35 kg N in de rij voor voldoende stikstofvoorziening. Wat betekent een mestgift van 30 m3 voor de aanvullende bemesting met fosfaat zwavel en kali?
Belang van fosfaat
Fosfaat is belangrijk voor de jeugdontwikkeling van mais. De bodemtemperatuur in april/mei is relatief laag en mais heeft dan nog nauwelijks een wortelstelsel. Omdat mais op een rijafstand van veelal 75 cm staat en fosfaat weinig mobiel is, profiteert mais het meest van fosfaat geplaatst in of nabij de rij. Mestplaatsing in de rij is mogelijk, maar komt in de praktijk weinig voor. Sinds 2026 is het weer toegestaan om fosfaatkunstmest in de rij toe te dienen, wat een praktisch alternatief biedt. Volveldse toediening draagt primair bij aan het op peil houden van de bodemvruchtbaarheid en minder aan de directe gewasvoorziening. Het bemestingsadvies maakt daarom onderscheid tussen gewasgerichte bemesting (voor optimale productie in het betreffende jaar), en bodemgerichte bemesting (voor onderhoud van de fosfaattoestand).
Hoeveel fosfaat is nodig?
Voor optimale gewasproductie ligt het advies voor rijenbemesting doorgaans onder de jaarlijkse fosfaatonttrekking door snijmaïs. Daardoor zal de bodemvoorraad op termijn dalen van nu veelal ‘hoog’ of ‘ruim voldoende’ (circa 45% van de situaties) naar ‘voldoende’. Pas bij een lagere bodemtoestand is bemesting op onttrekkingsniveau gewenst. Gezien de fosfaatbodemtoestanden zal voor een optimale gewasproductie in de meeste gevallen 10-15 kg fosfaat per ha in de rij volstaan (zie tabel 3.7) in combinatie met basisgift van 30 m3 mest (daarmee wordt ongeveer 3/4 van de gewasonttrekking gegeven). Voor de situaties waar de toestand toch laag of vrij laag is (zie tabel 3.8 en 3.9 van het bemestingsadvies) wordt aangeraden om extra fosfaat te geven, bijvoorbeeld mest met meer P per kg N, zoals varkensmest of dikke fractie.
Zwavel: aanvulling noodzakelijk
Maïs kan tot 25 kg zwavel (S) per ha opnemen in de vorm van sulfaat. Productieve percelen hebben meer zwavel nodig dan laagproductieve. Het zwavelbemestingsadvies is gebaseerd op het zwavelleverend vermogen (SLV) en het productievermogen van het perceel. Aangezien zwavel uit dierlijke mest in het voorjaar slechts beperkt beschikbaar komt (door trage mineralisatie), is aanvulling via kunstmest meestal noodzakelijk. Het bemestingsadvies maakt geen onderscheid tussen toediening in de rij of breedwerpig. Voor percelen met een opbrengstniveau van circa 18 ton droge stof per hectare is veelal een S-gift van 15-20 kg S per ha nodig.
Kali: meestal voldoende via de mest
Kaliumbemesting van mais is belangrijk voor een goede opbrengst. Mais heeft ongeveer 10 kg K2O nodig per ton drogestof via nalevering door de bodem en bemesting. Meestal is 30-35 m3 mest per hectare, waarmee 160-200 kg K2O wordt toegediend, voldoende voor de kalivoorziening. Een aanvulling met kunstmestkali is dan zelden nodig. Dit blijkt uit eerder onderzoek en de meest recente kali-bemestingsadviezen uit 2019, van de commissie bemesting Grasland en Voedergewassen. Hogere giften dan 200 kg K2O per ha leiden tot luxe consumptie van kalium. Internationaal zijn de adviezen veelal ook lager dan 200 kg K2O per ha.
Keuze van meststoffen
Op basis van grondonderzoek en bemestingsadvies kan de benodigde aanvulling nauwkeurig worden vastgesteld. In veel situaties volstaat een bemesting van 30–35 kg N per hectare, 10–15 kg P₂O₅ per hectare, 15–20 kg S per hectare (≈ 38–50 kg SO₃). Bij voorkeur worden stikstof en fosfaat in de rij toegediend. Zwavel kan zowel in de rij als breedwerpig worden gegeven. Dat kan bijvoorbeeld met 150 kg van een product dat 20-10-0-25 bevat of daarbij in de buurt komt. Afstemming met de leverancier blijft belangrijk voor de juiste productkeuze.
Tips
- Borium in de rij is lang niet altijd nodig, maar zit vaak wel in een echte rijenmeststof. Overdaad schaadt de mais. Check het bemestingsadvies en het grondonderzoeksformulier
- Neem een mestmonster voorafgaand aan de maisbemesting voor een nauwkeurige nutriënteninschatting.
- Zorg voor voldoende draagkracht van de percelen vóór mesttoediening om structuurschade (en daarmee opbrengstderving) te voorkomen (lage bandenspanning, juiste timing).
- Op meerjarig gescheurd grasland volstaat een beperkte N rijenbemesting. De uitgespaarde mest kan op grasland worden ingezet.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Wim Bussink, e-mail wim.bussink@nmi-agro.nl, tel. 06 2903 7096
Dit artikel is eerder verschenen op de website van de Commissie Bemesting Grasland en Voedergewassen
