In opdracht van de provincie Drenthe is in 2007–2008 op 25 melkveebedrijven een inventarisatie gemaakt van de voorziening van het vee met de spoorelementen zink (Zn), selenium (Se), koper (Cu) en kobalt (Co). Deze spoorelementen zijn noodzakelijke voedingsstoffen voor het vee. Maar, met name zink en koper, zijn ook zware metalen, waarvan het overschot beperkt dient te worden in verband met de Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit onderzoek is uitgevoerd op bedrijven die deelnamen aan het project
'Functionele Biodiversiteit op melkveebedrijven'. De resultaten zijn beschreven in het rapport 'Verminderen aanvoer spoorelementen (zware metalen) op melkveebedrijven
(Den Boer en Van der Draai, 2007). Op vrijwel alle bedrijven was de voorziening met Zn zeer ruim. Gemiddeld werd Zn op meer dan twee keer de behoeftenorm verstrekt. De voorziening met Se, Cu en Co was wisselend van zeer ruim tot een tekort voor bepaalde diergroepen. Gemiddeld was ook deze voorziening ruim en zijn er, evenals bij Zn, mogelijkheden om de voorziening per diergroep beter op de behoefte af te stemmen.

Als vervolg op deze inventarisatie zijn in 2009 acht melkveehouders benaderd om op hun bedrijven door het voeren van aangepaste mineralenmengsels de voorziening beter op de behoefte van het vee af te stemmen. Het voeren van de aangepaste mengsels is uitgevoerd in de weideperiode van 2010 en in de winterperiode van 2010–2011. De aan gepaste mengsels bevatten geen zink.

Naast ervaring opdoen met het voeren van aangepaste mengsels op melkveebedrijven, was het belangrijk om deelnemers te overtuigen dat het mogelijk is om mineralenmengsels zonder toegevoegd zink te verstrekken met behoud van een goede diergezondheid en productie. De gezondheidsstatus van het vee is geverifieerd door bloedanalyses. Ook mengvoerproducenten en dierenartsen zijn erbij betrokken om zo gezamenlijk een positieve uitstraling naar de omringende praktijk te verkrijgen. Het project is uitgevoerd in het kader van het project 'Duurzaam Boer Blijven in Drenthe' (DBBD). Dit rapport geeft de resultaten van de studie op de acht bedrijven.

Lees hier het rapport


 
   
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
 
 
 


In een eerdere bureaustudie van NMI is vastgesteld dat op ruim 50 procent van de snijmaïspercelen op zand- en lössgrond de voorziening van het gewas met zwavel (S) te laag zou kunnen zijn. Via depositie, nalevering door de bodem en aanvoer via mest wordt minder S aangevoerd dan snijmaïs nodig heeft. Er is daarom in 2009 en 2010 onderzoek uitgevoerd op een groot aantal praktijkpercelen (totaal 96 percelen op 52 bedrijven) om vast te stellen of S-bemesting nodig is en of er verschillen tussen S-meststoffen te verwachten zijn. De resultaten vormen de basis voor een S-bemestingsadvies voor snijmaïs. Het onderzoek is tot stand gekomen door subsidie vanuit Productschap Zuivel en het bedrijfsleven te weten K+S Nitrogen, Blgg AgroXpertus, Yara, K+S Benelux, Rosier Nederland, Hendrix UTD, Agrifirm Plant (vroeger Agerland) en OCI Agro (voorheen DSM Agro).

Projectnummer: 1317
Projectleider: Wim Bussink

Lees hier het rapport


 
   
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
 
 
 


In een uitgebreide literatuurstudie naar interacties tussen de N- en K-voorziening op grasland en naar de achtergronden en doelmatigheid van het huidige bemestingsadvies voor kali op grasland geven Den Boer et al. (2010) aan dat het huidige advies voor de eerste en voor latere sneden verbeterd kan worden. Daarnaast maken de huidige extractie op basis van K-HCl en het daaraan gekoppelde advies op basis van het K-getal het moeilijk om op een adequate wijze rekening te houden met andere nutriënten in en eigenschappen van de bodem. Deze studie is uitgevoerd door het Nutriënten Management Instituut (NMI) en Livestock Research (LR) in opdracht van Productschap Zuivel.

Lees hier de samenvatting en conclusies van het rapport

 


 
   
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
 
 
 


Fosfaat in Bodem

Nutriënten Management Instituut en DLV Plant hebben in 2009 en 2010 in opdracht van het Productschap Akkerbouw en met circa 50% medefinanciering van het meststoffenbedrijfsleven jaarlijks één proefveld met korrelmaïs aangelegd. In beide jaren betrof een zandgrond in Zuidoost-Nederland, waarin verschillende typen rijenmeststoffen met elkaar zijn vergeleken. Het eerste jaar is de proef uitgevoerd zonder basisbemesting met dierlijke mest, in het tweede jaar is 30 m3 dunne rundermest als basisbemesting toegediend.
Gedurende de looptijd van de proef (eind april tot medio oktober 2009) werden regelmatig visuele waarnemingen uitgevoerd (aantal planten, stand van het gewas). Bij de oogst werd, naast een aantal waarnemingen omtrent legering, fusariumaantasting en aantal planten, de korrelopbrengst bepaald.

Lees hier de samenvatting en conclusies

Lees hier het rapport betreffende 2009

Lees hier het rapport betreffende 2010

 

Fosfaat in Bodem

Door de wetgeving zal de gebruiksnorm in de akkerbouw voor fosfaat van 85 kg P2O5/ha in 2008 de komende jaren stapsgewijs afnemen tot 60 kg P2O5/ha in 2015 (mogelijk met een differentiatie op basis van het Pw-getal van de grond). Gezien het feit dat de gemiddelde onttrekking of afvoer met het geoogst product van ongeveer 60 kg P2O5/ha, zal de beschikbaarheid van fosfaat belangrijker worden. Onder andere als gevolg van de gebruiksnormen zijn er nieuwe (vloeibare) fosfaat meststofsystemen op de markt gekomen. Deze nieuwe fosfaatmeststoffen zouden de efficiëntie van de fosfaatbemesting verhogen.
In 2009 en 2010 zullen veldproeven worden aangelegd waarbij het gebruik van vloeibare fosfaatmeststoffen wordt vergeleken met een korrelmeststof. Om een duidelijk beeld te krijgen in de efficiëntie van de vloetbare meststoffen zal de opbrengst (inclusief sortering) en kwaliteit van de aardappelen worden bepaald.

Project: 1325
Opdrachtgever: Productschap Akkerbouw, uitgevoerd door DLV PLant
Samenwerking met: DLV Plant, Proefboerderij Rusthoeve
Looptijd: 2009-2010