Lees hier de flyer over het project

Het landbouwkundig handelen is van grote invloed op de bodemkwaliteit, bijvoorbeeld wat betreft het beschikbaar komen van mineralen en de opbouw van organische stof. De aandacht voor de bodemkwaliteit is in de melkveehouderij groeiende, en daarbij is sprake van een groeiende vraag naar nieuwe en betere meetmethoden en daarop gebaseerde adviezen. Vanuit de wetenschap is veel kennis beschikbaar over de rol die bodemenzymen kunnen spelen bij de bodemkwaliteit, in het bijzonder het beschikbaar komen van mineralen. Als melkveehouders zouden kunnen beschikken over een bemestingsadvies op basis van een enzymmeting, dan hebben zij een nieuwe ingang om de ruwvoerproductie op peil te houden.

Projectnummer: 1405
Opdrachtgever: Productschap Zuivel
Lees hier het uitgebrachte rapport


 
   
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
 
 
 


Een verkenning van inhoudelijke en procesmatige aspecten

De provincie Drenthe startte als één van de eerste provincies in Nederland met het verwerven van inzicht in de ontwikkeling van het organischestofgehalte in landbouwpercelen. De provincie heeft, gelet op de zeer centrale rol in de bodemprocessen, de bodembiodiversiteit en het klimaat, behoefte aan een goede monitoring van organische stof (OS). De provincie Drenthe heeft het NMI gevraagd een verkenning uit te voeren naar de inhoudelijke en procesmatige aspecten die aandacht behoeven bij de ontwikkeling van een monitoringssysteem van OS. Een belangrijke vraag hierbij is of de dataset uit het routinematige grondonderzoek van BLGG AgroXpertus onderdeel kan zijn van een monitoringssysteem van OS. Voor de beantwoording van deze vraag heeft NMI samengewerkt met BLGG AgroXpertus en Cropeye.

Projectnummer: 1312.N.08
Opdrachtgever: Provincie Drenthe
Projectleider: Marjoleine Hanegraaf

Lees hier de samenvatting en conclusies


 
   
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
 
 
 


Organische stof is essentieel voor de chemische, fysische en biologische bodemkwaliteit in de akkerbouw. Een goed bodembeheer dient onder andere gericht te zijn op het handhaven en/of verbeteren van het gehalte en de kwaliteit van de organische stof in de bodem en op het handhaven en/of verbeteren van de verschillende bodemfuncties. Een handvat voor het beheer van organische stof is de organische stofbalans, die gericht is op een voldoende aanvoer van effectieve (=stabiele) organische stof. De balans houdt echter geen rekening met de effecten van verse organische stof op de bodemkwaliteit. Daarom heeft Productschap Akkerbouw aan PPO en NMI/BLGG AgroXpertus gevraagd in een bureaustudie de effecten van verse organische stof op de bodemkwaliteit in beeld te brengen. Daarbij ging het met name om de biologische bodemkwaliteit, zoals bodemgezondheid en ziektewerendheid. Een vraag was of er in aanvulling op de organische stofbalans richtlijnen zijn te geven voor de toediening van verse organische stof. In deze studie verstaan we onder het begrip verse organische stof alle organische materialen die in de akkerbouw op de bodem terechtkomen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gewasresten, groenbemesters, stro, dierlijke mest en compost.

Projectnummer: 1326
Opdrachtgever: Productschap Akkerbouw
Projectleider: Romke Postma

Lees hier het uitgebrachte rapport


 
   
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
  
 
 
 


In de Hoeksche Waard wordt het functioneel gebruik van (agro)biodiversiteit op percelen al een aantal jaren toegepast om de akkerbouw te verduurzamen. Gebleken is dat ook de groenblauwe elementen in de omgeving, zoals wegbermen, dijktaluds en kreekoevers, ingezet kunnen worden ten behoeve van een versterking van dit concept. Ten behoeve van een optimaal ecologisch beheer van de genoemde groenblauwe elementen is de afvoer van maaisel gewenst. In het algemeen is de kwaliteit van dit maaisel onvoldoende om als ruwvoer voor dieren te dienen en is een alternatieve afzet nodig. Hiervoor zijn een aantal verwerkingsroutes in beeld, zoals compostering en verwerkingsroutes waarbij energie wordt opgewekt, zoals vergisting, verbranding en pyrolyse. Het doel van de in dit rapport beschreven studie was gericht op het verwerven van inzicht in de haalbaarheid van verschillende verwerkingsroutes van maaisel van bermen, dijktaluds en kreekoevers in de Hoeksche Waard, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan de juridische status van de eindproducten en effecten op ecosysteemdiensten van de bodem. Het betreft een vergelijking tussen compostering, vergisting en pyrolyse.

Project: 1359
Projectleider: ir. R. Postma

Lees hier de samenvatting en conclusies van het rapport