Na een koud voorjaar kwam in mei de groei goed op gang. De laatste week van mei en de eerste week van juni werden gekenmerkt door lokaal zware buien. Dat gaf in diverse steden en dorpen wateroverlast. Ten zuiden van Nederland was het nog veel erger. Horen deze zwaardere buien en piekneerslagen bij klimaatverandering? ja. Voor de landbouw kan dat grote gevolgen hebben gedurende het groeiseizoen: verzuipende mais of rottende aardappelen. In het najaar kunnen er problemen ontstaan bij de oogst van bijvoorbeeld mais, aardappels en of suikerbieten. U herinnert zich de beelden uit najaar 2013 van de ondergelopen akkers, na zo’n 300 mm neerslag in september en oktober.

Klimaatverandering maakt de bodem kwetsbaarder, maar het is te gemakkelijk om de schade die door overvloedige neerslag ontstaat alleen toe te wijzen aan klimaatverandering. De bodemstructuur van de Nederlandse landbouwgronden is vaak slecht, waardoor de grond bijvoorbeeld sneller dichtslaat bij veel neerslag. Een groot deel van de gronden heeft ook een verdichte ondergrond. In combinatie met laat oogsten is dit vragen om problemen bij piekneerslagen of een nat najaar.

Is er dan niets aan te doen? Jazeker wel, maar snelle oplossingen voor het verbeteren van de bodemstructuur zijn er niet, wat er ook wordt beweerd. Naast een ander bodembeheer en bouwplan vergt het ook een andere mindset van de boer, de afnemer van landbouwproducten, maar ook van de waterbeheerder en uiteindelijk ook voor de maatschappij. Beter waterbeheer begint op de akker. Wanneer? Gisteren! Door te werken aan verruiming bouwplan, niet te zware machines, herstelmaatregelen om verdichting op te heffen, voldoende organische stof, meer groenbemesters etc. Na een aantal jaren zullen de eerste effecten zichtbaar zijn. En de inzet van bodemverbeteraars dan? Dat is weinig zinvol zo blijkt uit recent onderzoek, het geeft geen meerwaarde ten opzichte van goed bodembeheer.

Een andere mindset is nodig als het gaat om de start van de voorjaars- en oogstwerkzaamheden. Op het juiste moment beginnen voorkomt schade aan de ondergrond. Op dit moment zijn er echter geen instrumenten die de boer daar bij kunnen helpen. Daar ligt nog een ontwikkelingsbehoefte.

Met betrekking tot het oogsten kun je percelen indelen op het feit wanneer gewassen van het veld moeten zijn om een risico op slechte draagkracht/bewerkbaarheid door op wateroverlast in het najaar te beperken. Is dat 1 september, 1 oktober of 1 november? Dat kan grote consequenties hebben voor het bouwplan, omdat sommige hoog salderende gewassen dan misschien niet meer passen, zoals bollen, aardappelen of bieten. Of dat er gebruik gemaakt moet worden van vroege mais-, aardappel- of bietenrassen. Uiteindelijk zouden alle akkerbouwmatige geteelde gewassen voor 1 november van het land moeten zijn. Voor de afnemer van aardappels en vooral bieten betekent dat een kortere verwerkingsperiode of alternatieve systemen voor hogere tussenopslagcapaciteit. In beide gevallen leidt het tot hogere kosten.

Het positieve van een dergelijke insteek is dat de sponswerking van de bodem kan verbeteren. Dit moet betekenen dat minder investeringen nodig zijn in het watermanagement dan zonder maatregelen op de akker. De kosten van het watermanagement dragen we met ons allen, via de waterschappen. Dan het moet ons ook wat waard zijn als het bodembeheer wijzigt. Nu alleen de maatschappij en de waterbeheerder overtuigen dat aangepast bodembeheer ook beloond moet worden. Wordt het tijd voor een Deltaplan beter water- en bodembeheer begint op de akker?

 

Geschreven door Wim Bussink