Op 1 maart a.s. is het zover, dan werk ik 25 jaar bij NMI. Best lang, vindt u ook niet? Het is voor mij in ieder geval een gebeurtenis om even bij stil te staan. Wat is er gebeurd en veranderd? Wat maakt het de moeite waard? Die vragen heb ik geprobeerd te beantwoorden en dat wil ik graag met u delen. Er is in die 25 jaar best veel gebeurd, alleen al ten aanzien van de standplaats. Het NMI-onderdeel waar ik in maart 1991 ben begonnen was gedetacheerd bij het toenmalige Instituut voor Bodemvruchtbaarheid te Haren (G). Geen onbelangrijke periode voor mij, want daar heb ik mijn vrouw leren kennen…. Na ruim 2 jaar werd het onderdeel overgeplaatst naar Wageningen, alwaar we na wat omzwervingen en een onderbreking van circa 3 jaren in Oosterbeek, nog steeds zitten. Naast de standplaats is ook de organisatie een paar keer veranderd. In 1991 was de NMI-organisatie nog gelieerd aan het Meststoffen-bedrijfsleven, maar dat werd in 1997 beëindigd. Vanaf dat moment waren we onderdeel van Blgg, een situatie die heeft geduurd tot de zomer van 2013. Sindsdien maken we deel uit van Dutch Sprouts, een jonge organisatie met een aantal innovatieve bedrijven. Toch zijn de werkwijze en organisatie van NMI in de kern niet veel veranderd, waardoor ik het nog steeds goed naar mijn zin heb. Dat komt enerzijds door de inhoud van het werk en anderzijds door het type organisatie.

Het inhoudelijke werkveld van NMI is in de loop van de tijd wel verschoven. In de beginperiode ging het vooral om bemesting en de effectiviteit van meststoffen om de productie van gewassen te bevorderen. Dit is verbreed. De milieu-component is steeds zwaarder gaan wegen en tegenwoordig bestrijkt ons werkveld de bodem in relatie tot groene functies, zoals landbouw en natuur. Kennis van de complexiteit van de bodem en de wijze waarop bodemeigenschappen van invloed zijn op de groei en opbrengst van gewassen, milieu-effecten en de ontwikkeling van natuurlijke ecosystemen zijn zaken die mij nog lang niet vervelen. Wat het voor mij extra boeiend maakt is dat NMI daarbij probeert wetenschappelijke kennis toepasbaar te maken voor de praktijk van alledag. De praktische insteek zorgt ook voor een verbreding: het gaat niet alleen om technische kennis, maar ook om de sociale dimensie. Bijvoorbeeld in projecten waarbij wordt samengewerkt met boeren. Waarom zijn ze wel bereid om de ene innovatie te implementeren en doen ze dat bij de andere niet?

Als kleine projectorganisatie verricht NMI onderzoek en advies in opdracht van derden. Daarbij is de klantenkring de afgelopen 25 jaar sterk verbreed. We zijn dus dienstverlenend en proberen de klant zo goed mogelijk te ondersteunen bij het zoeken naar oplossingen van zijn / haar specifieke vragen en problemen. Daarvoor is het nodig om je goed te verdiepen in de klant en zijn vraag en vervolgens een project te formuleren en uit te voeren dat daar zo goed mogelijk bij aansluit. Een steeds groter wordend aantal klanten, de grote diversiteit er van en de zeer uiteenlopende vragen maken het werk bij NMI heel afwisselend en nooit saai. Bij de uitvoering werken we dan ook nog vaak samen met andere, wisselende partijen, wat het ook boeiend houdt. Ten slotte is NMI een kleine, platte organisatie met korte lijnen, leuke collega’s en veel ruimte voor eigen verantwoordelijkheid, initiatief en ontwikkeling.

In het essay ‘Mooi werk’ verkent management-goeroe Ben Tiggelaar de vraag wat werken de moeite waard maakt. Hij onderscheidt daarbij drie dimensies van werkgeluk, namelijk plezierig, goed en zinvol werk. Ik heb het getoetst en kom tot de conclusie dat het werk bij NMI zowel plezierig, goed als zinvol is! Wat wil je nog meer? En voor je het weet zijn er dan 25 jaren voorbij….

Geschreven door Romke Postma